Brief aan Mark Rutte: geef ouders moed, want wij zijn coronamoe

In je onderbroek achter Zoom onderwijl de snottebellen van je peuter afvegend – ouders maakten het mogelijk dat de maatschappij bleef doordraaien tijdens de coronacrisis. Maar nu zijn we moe. Daarom deze brief.

Beste Mark,
Nu er eindelijk wat licht begint te gloren aan het einde van de coronacrisis, merk ik pas hoe moe ik ben. Om me heen zie ik hetzelfde: ouders die balanceren op het randje van de uitputting. Vond ik de eerste lockdown nog creatief en inspirerend – ik zat eindeloos te knutselen met mijn kinderen en probeerde van elke dag iets bijzonders te maken – de tweede lockdown was bij mij al bij aanvang de rek er een beetje uit. Misschien omdat ik net drie dagen daarvoor een baby had gekregen, misschien omdat ik had gehoopt dat we na die eerste lockdown in een opwaartse spiraal zouden belanden. We hadden immers alles gegeven: thuiswerken combineren met thuisonderwijs, angstvallig anderhalve meter afstand houden en onze familie alleen via whatsapp zien – zelfs op de 75e verjaardag van mijn moeder lieten we het cadeau aan de deur bezorgen.

In de media is veel aandacht geweest voor de onmenselijke taak van de zorgmedewerkers (terecht) en ook hebben we allemaal stilgestaan bij de kwetsbare ouderen en de eenzame jongeren. Maar wie heeft er stilgestaan bij de bijna onmogelijk prestatie die wij als ouders hebben geleverd in het afgelopen jaar? Want dat de maatschappij tot op zekere hoogte is blijven doordraaien is mede te danken aan de flexibiliteit van ouders van thuiswonende kinderen die erin toestemden om tijdens hun tropenjaren nog een paar extra ballen in de lucht te houden. Ouders die – terwijl hun soortgenoten zonder kinderen een coronahobby oppakten en ouderen massaal aan het wandelen of fietsen sloegen – in hun onderbroek achter Zoom zaten, onderwijl snottebellen van hun peuter afvegend. Ouders die zaten te werken in een inloopkast of aan het bureautje op de kinderkamer. Ouders die online lesgaven aan groepen onwillige pubers die semi-aanwezig de les bijwoonden, terwijl ze tegelijkertijd hun eigen kinderen bezighielden met schoolwerkjes. Ouders die in de zorg werkten. Ouders die ineens hun zorgintensieve kind elke dag thuis hadden. Ouders die gevraagd werd extra diensten te draaien wegens coronadrukte. Ouders die hun baan verloren of failliet gingen. Ouders die hun pasgeboren baby lieten zien aan hún ouders die buiten achter het raam stonden te zwaaien. Ouders die corona kregen. Ouders van wie de kinderen corona kregen. Ouders die afscheid moesten nemen van hun ouders en niet meer die laatste knuffel hebben kunnen geven. Ouders die hun kinderen een jaar ouder zagen worden, zonder dat ze ooit een voet in hun klas mochten zetten. Ouders die hun baby bij de deur van de kinderopvang afgaven, ook al was het de eerste keer dat hun baby naar de opvang ging. Ouders die alles wat het ouderschap draaglijk maakt – een oppas inschakelen, de kinderen een nachtje uit logeren brengen, een dagje Artis – opgaven om aan het eind van alweer een dag goochelen met al die ballen in plaats van uitgeput op de bank te ploffen hun laptop open te klappen om nog wat achterstallig werk te doen.  

Toch heb je ouders nauwelijks horen klagen. We begrepen allemaal – tot op zekere hoogte – de noodzaak van de maatregelen. We hebben allemaal opa’s en oma’s gehad die de oorlog nog hebben meegemaakt en we snapten heus wel dat dit allemaal veel minder erg was. We zijn oud genoeg om te beseffen dat het leven niet altijd makkelijk is en dat dingen niet altijd lopen zoals je hoopt. We hebben allemaal kinderen op de wereld gezet. We hebben allemaal een of meer dierbaren verloren. En bovenal: we zijn gewend aan het in de lucht houden van te veel ballen omdat we dat toch al deden.

Maar nu zijn we ruim een jaar verder en de rek is eruit. Want ook al mogen onze kinderen officieel weer naar school, bij de eerste snottebel zitten ze weer thuis. We snakken naar goed nieuws, naar een beetje lucht. Al is het maar dat er in de media eens bericht wordt over de positieve ontwikkelingen, zoals dat de sterftecijfers al maandenlang aan het dalen zijn, in plaats van wat er allemaal nog níet goed gaat. Aan de schonere lucht die aan het begin van de coronacrisis ontstond door minder vliegverkeer en hoe we dat kunnen vasthouden. Aan de positieve effecten – want die zijn er zeker óók – van thuiswerken en hoe waardevol het is dat vaders hun kinderen vaker zien. Want inmiddels hebben we wel behoefte aan het gevoel dat we het ergens voor doen, dat het allemaal niet zinloos was. 

Wij hebben gegeven wat we konden. We hebben onszelf weggecijferd, zonder te zeuren en zonder er iets voor terug te verwachten. Dat hoeft ook niet. Het enige waarop we hopen is dat onze kinderen straks opgroeien in een betere, een schonere, een groenere en eerlijkere wereld, waarin geen plaats meer is voor virussen. Waarin we elkaar weer in de armen kunnen vallen en onze kinderen weer zorgeloos op schoot kunnen bij hun opa en oma. Waarin het vanzelfsprekend is dat het klimaat boven aan de politieke wereldagenda’s belandt, zodat we over een jaar niet wéér in een pandemie belanden. Waarin er meer transparantie komt in die politieke wereldagenda’s omdat er nu regelmatig beslissingen worden genomen waar wij niet achter staan. Betrek ons, geen ons hoop en goede moed, voordat we allemaal innerlijk zijn afgehaakt. Want één ding is zeker: al onze energie is in deze pandemie gaan zitten en we hebben weinig meer over voor nog een crisis.

Dus als we dan toch iets terug mogen vragen voor al ons harde werk, laat het dan dat zijn: dat als deze crisis achter de rug is we samen alles op alles gaan zetten om te voorkomen dat dit nog eens gebeurt. Dat er een einde komt aan de ontbossing, die zorgt voor de verspreiding van nieuwe virsussen, aan de intensieve veeteelt, aan het meer, meer, meer, ten koste van alles. En een begin aan een samenleving die handelt vanuit verbondenheid, omdat we vanaf nu een gezamenlijk doel hebben: voorkomen dat we ooit weer in deze situatie belanden.

Groetjes,
Janneke
(schrijver en moeder van drie kinderen)

Janneke Jonkman

Janneke is het gezicht achter My Little Dutch Diary en schrijver van onder meer 'O jee, het zijn er twee'. 

Deel deze blog: